Pagina afdrukken
 

Advies aan de staatssecretaris van OCenW inzake bladen voor culturele minderheden

dd. 19 07 1999

In ons advies 'Vernieuwend persbeleid' van september 1997 attendeerden wij op een aantal knelpunten in de informatievoorziening die het naar ons oordeel noodzakelijk maken het overheidsbeleid ten aanzien van de pers bij te stellen. En wel meer in de richting van het scheppen van voorwaarden om voor zenders en voor ontvangers barrières in de toegang tot de maatschappelijke informatievoorziening weg te nemen, de journalistieke mededinging te bevorderen en daarbij ruimte te scheppen voor het nieuwe, het ongebruikelijke en weinig bekende in de maatschappelijke informatievoorziening. Een dergelijk beleid legt zich meer toe op het bevorderen van ideeën gericht op strategische vernieuwing, op stimuleren in plaats van compenseren.

Een van de daarbij gesignaleerde knelpunten betreft het meerdere malen geconstateerde feit, dat bepaalde groepen in onze samenleving aan het proces van meer informatie en meer gevarieerde informatie vaak niet vanuit gelijkwaardige posities kunnen deelnemen. Vooral culturele minderheidsgroepen missen dikwijls informatie door het ontbreken van op hun specifieke wensen en behoeften toegesneden persorganen. In navolging van de definitie in uw recente notitie 'Media en minderhedenbeleid' wordt hier met de term culturele minderheden bedoeld eerste en tweede generaties Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillianen, Molukkers, Indische Nederlanders, Chinezen, Zuid-Europeanen, vluchtelingen en immigranten uit diverse landen in de Derde Wereld en Oost-Europa.

Uit recent kwalitatief onderzoek valt af te leiden dat de informatiehonger van die groepen over de eigen kring en het moederland slechts ten dele door het huidige media-aanbod wordt gestild. Men heeft nog een sterke behoefte aan informatie uit het herkomstland en men gaat naar alternatieven zoeken om deze informatie te verwerven. Deze informatie wordt daarom voornamelijk in de buitenlandse media gezocht. Allochtonen herkennen zich te weinig in de Nederlandse media. Het beeld dat in de media opgehangen wordt, wordt niet als een terechte afspiegeling van de Nederlandse multiculturele samenleving ervaren. Dit is ook een reden waarom men behoefte heeft aan media uit het herkomstland. In algemene zin is er behoefte aan meer aandacht in Nederlandse persorganen voor thema's die relevant zijn voor allochtonen.

Meer nadruk zou dienen te worden gelegd op het nieuws- en het multiculturele aspect in de berichtgeving. Veel allochtonen vinden ook dat de berichtgeving omtrent hun etnische groep te eenzijdig en overwegend negatief is. Buitenlandse persorganen die te onzent in hun eigen taal verschijnen zijn soms ook onvoldoende in staat om in die informatiebehoeften te voorzien, doordat ze nauwelijks of geen informatie over hun huidige woonomgeving verschaffen dan wel te eenzijdige informatie bieden. Persorganen die hier in hun eigen taal worden geproduceerd, zijn dikwijls door geldgebrek niet bij machte hun exploitatie te continueren of verder uit te bouwen.

Daarbij hebben we meerdere malen vastgesteld dat beperkingen in de werkingssfeer van het Bedrijfsfonds belemmerend werken om bladen bestemd voor culturele minderheidsgroepen vanuit het Bedrijfsfonds te helpen. Die beperkingen worden vooral met betrekking tot twee criteria ervaren:

  1. de huidige eis dat persorganen binnen de werkingssfeer tenminste maandelijks dienen te verschijnen en
  2. de huidige eis dat steun aan nieuwe persorganen voorbehouden is aan dagbladen.

Een recent voorbeeld van de wijze waarop de huidige bepalingen op dit punt belemmerend werken, betrof het blad RôOF, dat tot dusver een onregelmatige verschijning kende. Artikel 129, 2e lid onderdeel d, van de Mediawet stelt dat financiële steun uit het Bedrijfsfonds kan worden verleend ten behoeve van persorganen die regelmatig en tenminste maandelijks verschijnen. In zijn aanvrage gaf RôOF te kennen dat indien subsidie zou worden verkregen tot een maandelijkse verschijning zou worden overgegaan.

RôOF was op dat moment geen tenminste maandelijks verschijnend blad en voldeed dientengevolge niet aan de voorwaarde van genoemde wettelijke bepaling. Indien ervan was uitgegaan dat RôOF een beginnend maandblad vormde, zou financiële steunverlening uit het Bedrijfsfonds aan het blad ook niet mogelijk zijn, omdat in artikel 130, 3e lid, van de Mediawet is bepaald dat financiële steun voor de start van de exploitatie van een persorgaan uitsluitend kan worden verleend aan persorganen die tenminste zes keer per week verschijnen.

De door ons beoogde vernieuwing in het beleid wordt naar ons oordeel gestimuleerd door de mogelijkheid van steun met name voor persorganen van of voor culturele minderheidsgroeperingen uitbreiding te geven. Het zijn juist deze bladen die in vergelijking met andere hier verschijnende persorganen onvoldoende kansen krijgen om van de grond te worden getild of te blijven voortbestaan. Over de wijze waarop deze uitbreiding tot stand kan worden gebracht reiken we in dit advies bouwstenen aan.

Marktverkenning
Alvorens daartoe over te gaan staan we even stil bij de vraag naar de aard en omvang van de markt van deze persorganen. Daarover zijn voor zover we hebben kunnen nagaan nauwelijks voldoende betrouwbare gegevens voorhanden. In vele gevallen omvat deze markt overwegend kleine kranten, vaak verschijnend als een soort van nieuwsblad, die onaangekondigd in de markt worden gezet, maar daaruit ook weer vrij snel verdwijnen. Om die reden zijn er nauwelijks bronnen te vinden waarin gegevens over hun (kortstondige) bestaan zijn opgeslagen.

En voor zover ze langer bestaan, opereren ze vaak in belangrijke mate als advertentiemedium, maar nauwelijks voor een breder publiek, reden waarom ze ook in bronnen van reclamedragende media niet te vinden zijn.

Dit neemt niet weg dat wij het van groot belang achten dat er meer gegevens over deze markt van persorganen gericht op culturele minderheidsgroepen beschikbaar komen. Daartoe hebben we inmiddels de nodige stappen gezet om onderzoek op dit gebied op gang te brengen, uitgaande van de bevoegdheid die de Mediawet ons terzake van onderzoek op het gebied van het functioneren van de pers opdraagt (art. 123, tweede lid onder b, Mediawet).We verwachten u spoedig uitsluitsel te kunnen geven over aard en duur van het beoogde onderzoek.

Positie t.a.v. werkingssfeer
Niet voor alle bladen gericht op culturele minderheidsgroepen zou de werkingssfeer van het Bedrijfsfonds dienen open te staan. Naar ons oordeel zou de groep die tot de werkingssfeer wordt toegelaten zich net als andere persorganen binnen de werkingssfeer allereerst moeten beperken tot de persorganen die hun continuïteit in gevaar zien of die hun start niet kunnen effectueren. En vastgesteld dient te worden dat de noodzakelijke steun niet of niet afdoende op andere wijze kan worden verkregen. Met andere woorden, ook voor deze persorganen dient te gelden dat steun uit het Bedrijfsfonds 'er toe doet'.

Een ander belangrijk kenmerk van deze bladen, net als van andere persorganen binnen de werkingssfeer van het Bedrijfsfonds, zal moeten zijn dat ze in belangrijke mate nieuws, analyse, commentaar en achtergrondinformatie bevatten over een gevarieerd deel van de maatschappelijke actualiteit, mede in het belang van politieke meningsvorming. Met 'gevarieerd deel' wordt bedoeld: betrekking hebbend op uiteenlopende sectoren van de samenleving. We gaan er daarbij van uit dat deze bladen niet alleen sectoren van de samenleving in het land van herkomst belichten, maar ook op substantiële wijze aandacht aan sectoren in de Nederlandse samenleving besteden.

Verder menen we dat ook deze bladen moeten voldoen aan overige voorwaarden die aan persorganen binnen de werkingssfeer van het Bedrijfsfonds volgens de Mediawet gesteld worden. We doelen hierbij vooral op de navolgende voorwaarden:

  • Zij worden in Nederland uitgegeven en zijn bestemd voor het publiek in Nederland;
  • Zij worden geredigeerd door een zelfstandige redactie op basis van een statuut waarin de redactionele identiteit is vastgelegd;
  • Zij zijn voor iedereen verkrijgbaar;
  • Zij worden verkrijgbaar gesteld tegen betaling;
  • Zij worden niet uitgegeven door of vanwege de overheid;
  • Zij worden niet uitgegeven of verspreid in samenhang met het lidmaatschap, donateurschap of deelnemerschap van een vereniging, kerkgenootschap of andere organisatie.

Zoals ook in de memorie van toelichting op de Mediawet is aangegeven, verschijnen bedoelde persorganen in de Nederlandse taal, maar ze kunnen eventueel ook in de taal van een minderheid verschijnen.

Ten aanzien van twee voorwaarden adviseren wij een experimentele regeling uit te werken, die erin voorziet dat ook nieuwe persorganen van culturele minderheden steun kan worden geboden, en dat bestaande persorganen voor steun in aanmerking kunnen komen ook wanneer ze een lagere verschijningsfrequentie hebben dan eenmaal per maand. In het navolgende worden deze voorstellen nader uitgewerkt.

Verruiming van de werkingssfeer
Op twee punten zou voor persorganen gericht op culturele minderheden de huidige werkingssfeer van het Bedrijfsfonds dienen te worden verruimd om deze persorganen meer kansen te geven. We denken hierbij met name aan de volgende mogelijkheden:

  1. verruiming van de werkingssfeer tot nieuwe bladen met een lagere verschijningsfrequentie dan dagbladen (verruiming van art. 130, derde lid, Mediawet);
  2. verruiming van de werkingssfeer tot bestaande bladen met een lagere verschijningsfrequentie dan een maal maandelijks (verruiming van art. 129, 2e lid onder d, MW).

Ook voor deze persorganen zou net als voor andere bladen binnen de huidige werkingssfeer van het Bedrijfsfonds dienen te gelden dat ze regelmatig verschijnen. De eis van een tenminste maandelijkse verschijning zou deze persorganen echter te weinig ruimte bieden, vandaar dat we adviseren voor persorganen gericht op culturele minderheden de voorwaarde te hanteren dat ze tenminste eenmaal per kwartaal verschijnen. Dat zou zowel voor bestaande als voor nieuwe persorganen gericht op culturele minderheden dienen te gelden.

Daartoe zouden de desbetreffende bepalingen in artikel 129 en 130 van de Mediawet dienen te worden aangepast.

De beoogde verruiming voor persorganen van culturele minderheden zou in plaats van wijziging van de vorengenoemde artikelen ook kunnen worden geëffectueerd door een nieuw artikel na art. 131 MW op te nemen, waarin de algemene mogelijkheid van een experimentele regeling wordt vastgelegd die dan bij algemene maatregel van bestuur nader kan worden ingevuld.

We volstaan in dit verband met het signaleren van deze mogelijkheden en laten het aan uw departement over om daarvoor de beste juridische weg te bepalen, maar houden ons onverminderd beschikbaar om u ook op dat punt verder van advies te dienen.

Experimentele regeling
Omdat nog veel onduidelijk is over hoe deze uitbreiding van de werkingssfeer uiteindelijk zal gaan functioneren, adviseren wij deze aanvullende steunmogelijkheden voor persorganen gericht op culturele minderheden een experimentele basis te geven. Wij denken hierbij aan een regeling voor vier jaar, die in het derde jaar wordt geëvalueerd en alleen dan na het vierde jaar wordt gecontinueerd wanneer de evaluatie inzake de effectiviteit van de regeling positief uitpakt. Deze experimentele regeling zou mogelijk tot stand kunnen komen naar analogie van de beschikking van 24 december 1987 (Stcrt. 1988, 8), die de toenmalige minister van WVC bij de invoering van de Mediawet uitvaardigde betreffende de beschikbaarstelling van gelden voor 1988 aan het Bedrijfsfonds. Daarin werden tevens de bedragen vastgelegd die voor de verschillende steunvormen per jaar konden worden uitgetrokken.

Naar analogie van deze beschikking zou het volgende nieuwe besluit kunnen worden uitgevaardigd:

Besluit van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van … (datum) houdende beschikbaarstelling van gelden voor 2000 tot en met 2003 aan het Bedrijfsfonds voor de Pers.
De staatssecretaris van onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
Gelet op artikel 128, eerste lid, van de Mediawet (Stb.xx),
Besluit:
  • Art. 1. Aan het Bedrijfsfonds voor de Pers staat voor de jaren 2000 tot en met 2003 jaarlijks een bedrag van ten hoogste f 1.500.000 ter beschikking ten behoeve van door het Fonds te verlenen financiële steun op grond van artikel 131 (nieuw) van de Mediawet.
  • Art. 2. Het saldo van het bedrag waarover het Fonds in de jaren 2000 tot en met 2003 het beheer voert, verminderd met de uitgekeerde bedragen van de in artikel 1 bedoelde steunmogelijkheid, wordt aangewend voor:
    1. De overige vormen van financiële steunverlening, zoals bedoeld in de artikelen 130 en 131 (oud) van de Mediawet;
    2. De kosten van het Fonds als bedoeld in artikel 126 van de Mediawet, voor zover deze door mij zijn goedgekeurd.
De staatssecretaris, enz.

Financiële aspecten
In samenhang met het voorgaande punt adviseren wij voor deze experimentele regeling voor die vierjarenperiode in totaal ten hoogste ¦ 6 miljoen te reserveren (¦ 1,5 miljoen per jaar). Dat bedrag zou voor dat doel binnen de huidige middelen van het Bedrijfsfonds kunnen worden 'geoormerkt'.
Om te bereiken dat deze aanvullende steunmogelijkheid voor meerdere persorganen openstaat, adviseren wij verder de hoogte van het steunbedrag per persorgaan per jaar te bepalen op ten hoogste f 250.000.

Tenslotte
Wij houden ons onverminderd beschikbaar om u over een en ander nader van advies te dienen bij het verder uitwerken van deze experimentele regeling.

Hoogachtend,
namens het bestuur,

prof. dr S.W. Douma,
voorzitter.

 
« Terug naar vorige pagina